geselecteerd als gefixeerd bericht
_________________________________________________________
_________________________________________________________
Met de ochtend nog onder de ene arm en De Morgen onder de andere stap ik in Gent Sint Pieters de trein uit. De vingers van mijn rechterhand omsluiten een schuimrubberen beker koffie. Ik voel hoe het warme goedje dof tegen de wanden klotst en geniet er evenveel van als van het halfnaakt zijn van mijn voeten. Een hippiemeneertje-op-leeftijd glimlacht me aarzelend toe. Sandalen scheppen een band, ziet u.
Mijn leefwereld is op de rug gaan liggen, en dat voel ik overal aan. Op de plantage die mijn hoofd geworden is kunnen negers te werk gesteld worden. Ter ontginning van de archaxefsmen en de apathie die ik dagelijks spui. Ooit waren mensen van elk allooi bij me welkom. Tegenwoordig komen enkel nog afro-amerikaanse homoseksuele presidenten-met-handicap mijn schedelpan binnen. Ik kleed hen met zorg uit, schik hen volgens een asymmetrisch maar vast relixebf, en rol hen op lange smalle tafels mijn denkpatronen binnen. Daarna beeld ik me in dat ze er decadente feestmalen houden. Naar Middeleeuws voorbeeld organiseren ze er schranspartijen. Maar ik ben altijd proever. Hoewel ik aanvankelijk initiatiefnemer was, word ik nu degene die ondergaat. Ze dwingen me mijn mond te openen en schuiven me mijn eigen hersenvoedsel binnen. En daar stopt het. Verder komt het nooit.
Ik voel mijn hoofdbinnenkant van tong tot gehemelte zigzaggen. Ik kauw. En slik. En kokhals. Ik wacht op tram 1. Het doet gekke dingen met me, wachten. Tijd manipuleren kan ik niet. Ik wil te snel resultaat. De tram is er en haastige mensen maken mijn tenen vuil. Dan pas mag ik mezelf de koffie toestaan. Ik kauw niet. En slik. En verzucht.
Mama Conny maakt kwetsend overhitte handhaarbewegingen. Haar luchtgat spuugt woorden en speekselvlokken. Ik beeld me in dat ze mijn dikke zwarte mama is, die heupwiegend fruitbrochettes voor me aanxe9xe9nrijgt. Ik wou dat ik een klein bruin jongentje was. Met een bolle buik. En vriendjes. Om mee te voetballen.
Ze was die ochtend de deur uitgegaan, en na eerst twee zelfverklaarde daklozen een stuk van twee euro toe te stoppen had ze een mooie volslanke mevrouw in een grijsblauwe wagen de weg naar de Kouter uitgelegd. Ze hield van mooie volslanke mevrouwen in grijsblauwe wagens; bij voorkeur met goed zichtbare kinderzitjes op de achterbank en her en der verspreide paperassen. Later zou zij een wasserette en een kleine sekswinkel openhouden, maar dat wist ze toen nog niet. Terwijl ze het oude koperen lampje op haar buffetpiano bij iedere fa kruis liet resoneren dacht ze na over de combinatie carrixe8revrouw/moeder. In haar gedachten haalde ze wilde dieren uit de ogen van haar angstige kleintjes en plukte met ruwe tong de vogels uit hun haren. Een gier is ook een vogel. hijgde haar man, terwijl hij haar benen om zijn hals had en haar te haastig penetreerde. Ze haalde zichzelf een zich steeds herhalende fa kruis en de koperlamp voor oren, en orgasmeerde.
Het moet vijf voor half drie geweest zijn toen de lichte trillingen die mijn vingertoppen tegen de onderkant van het bankstel gewaar werden mij ervan vergewisten dat ze op komst was. De deur van de treinwagon schoof dan ook spoedig open. Een vrouw kwam binnengewalrust met een houding xe9n een wandel die perfect het midden hield tussen een joviaal volslanke kinderbibliothecaresse-met-te-nadrukkelijk-aanwezige-boezem en een gestapo-officier. Handen als droogmolens, vol achterdocht rustend op haar kaartjesknipattributen. De automatische deur schoof achter haar dicht. Ze haalde even adem, kantelde haar bekken, en plaatste – terwijl haar benen gestrekt tegen elkaar bleven staan – de handen vol op de grond, schudde handen en wangen los, en leek klaar er tegenaan te gaan. In een walm van monochrone groentintklanken dreunde ze mijn medepassagiers haar goeiemiddaguwvervoersbewijsastubliefttsjklikdankuwelrijmpje op en ik zag hoe haar peperkoekkleurige dijen xe9xe9n voor xe9xe9n de middengang vulden en hoe ze uiteindelijk bij mijn zitje belandde. En toen gebeurde het. Bij het prononceren harer prefabzinnen keerde haar mondepiderm zich tegen haar. Het kwam met weinig dartele sprongen los en en veruitwendigde zich in de vorm van een reusachtige blauwe vinvis die haar mond kwam uitgeschoven en bij iedere vordering vooruit achteraan een deel van haar oorspronkelijke lichaam in deed klappen.
Met open mond drukte ik mezelf tegen de zijwand van de wagon aan en bedacht dat ik haar Olivia zou noemen.
Na EmmeLINE Vere nog meer Couperus:
Baadster
Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,
En toefde op de eerste trexea; heur armen beurden
En wrongen ‘t blonde hair, dat druipend nat
Nog van den amber der violen geurde.
Hoe ‘t rozig-blond van ‘t blozend rozeblad
De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde,
Terwijl van paerlen vloeyende en omspat,
Zij lelie was, die in den dauwe treurde!
Daar stond ze, steunende op het slanke been,
Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde,
Nu de armen hoog de dartle lokken bonden.
Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen,
Geheel omsluyerd in den korenblonde:
Antieke vaas met douden veile omwonden.
(Louis Couperus)
Naast een foute titel had hier ook een uitgebreid Marokkoverslag kunnen staan, maar dat laat ik liever achterwege. Signaalwoorden hieromtrent kunnen desalniettemin bij mij verkregen worden.
yella yella.
Maar goed. Omega Minor dus.
Vermoedelijk bent u zelf in staat om recensies op te googlen (‘t is me wat, die nieuwe werkwoorden), hoorde u ook wel hoe Paul Verhaeghen (mijn kritisch apparaatkennis zegt me dat ik dit al vroeger had moeten vermelden, maar hey.) de Belgische cultuurprijs voor proza aanvaardde, maar de daaraan verbonden 12.500 euro niet (omdat er anders 5.000 dollar naar de Amerikaanse schatkist zou gaan, en bijgevolg naar de oorlog. nvdr) en kunt u hoogstwaarschijnlijk ook geheel op uw eentje inzien dat ik ‘t turfje hier niet zou vernoemen mocht ik er niet meer dan matig tevreden over zijn.
Aldus met graagte een fragment, meteen ook de aanvang van het boek:

” Im afgang war die Tat.
En ter afsluiting van die Daad – die virtuoos vertolkte serpentijnen dans op de zwartsatijnen achtergrond van de diepste nacht – slingert een zuiver witte bliksem zich een kwart van een seconde lang los van de greep der zwaartekracht. In gillende triomf spuit een gulpende guirlande door de lentelucht, van maneschijn zwanger, een strakgespannen snaar van pure, ongebonden energie, en met een doffe smak ploft het vocht op een zorgvuldig onthaarde buik, en in de hijgerige stilte na de landing echoot de kamer van de stomme schreeuw uit een half miljard nooit bestaande monden: 23-chrosomale cellen waarvan de zweepstaarten nu in paniek op hoogst onvruchtbaar buikvel ranselen. De hand van mededogen die zijn penis omvat ontrukt hem een tweede stroomstoot, krachtiger nog dan de eerste, en een zilte tong daalt en trillend duikt haar zoekende punt in de kom van een navel. Dan verheft de tong zich, even verbindt een kleverige draad van parels haar nog met het Centrum van zijn Wezen (hara? Hare Krishna! Zilverblauwe G*d van de vergeefse Schepping!), een adamsappel klokt – zij drinkt mijn zaad, denkt hij, zij WIL mijn zaad; en zijn hart zwelt, niet van vertedering maar van misplaatste trots – dan stulpen gulzige lippen zich om de lingam en smakkend-klokkend-gorgelend glijdt de laatste vrucht van haar arbeid door haar keel. Nog steeds jubelt de keel van de man, nog steeds grillen de gametische horden in Todesangst, dan wordt hun ergste nachtmerrie waar: in het kolkende maagsap der vrouw breken de celwanden, ontbinden de moleculen, ontrafelen zich de schroefdraden met de Code, en open ligt de blauwdruk, het geheim van wat/wie Goldfarb is, en in een niet meer te herstellen chaos dwarrelen ze door elkaar, de nuclexefnezuren adenine, cytosine, guanine en thymine, onherstelbaar gaat de alchemie verloren. Hier juicht een man om het reddeloos teloorgaan van een wereldbevolking.
“
Toegegeven, dit fragment ontluikt niet echt dat het boek eigenlijk handelt over de stevig in WO II wortelende levens van drie protagonisten, maar er zijn mxednder captivante manieren om een boek te beginnen, me dunkt.
Vanaf morgen resideer ik in Marokko. Audixebnties op aanvraag.
Terwijl hoogzwangere vrouwen in zwart en appelgroen met een twijfel-achtige namenangst haar en haar rustroestbruine sofa uit evenwicht brachten, werden grijze mannen met haar en huid verliefd op bruine meisjes met peervormige borstjes en lijven vol geroezemoes. Stropdas. Sieraad. En heel schoon schoeisel. Ze plantte een denkbeeldige schoenpunt tussen zijn benen en bleef de enige die inwendig kirde. Schreef boeken over de stof-objectrelatie in zelfverklaarde metaforieken. Krabbelde formaliteitsgewijs marges vol en deed mee en alsof, tot ze niet meer hoefde te pretenderen dat ze wist waar het om draaide. Stropdas. Sieraad. En heel schoon schoeisel.